Martha Heesen, winnares van de Theo Thijssen oeuvre prijs 2015 schreef dit boek in 2003. "Toen Faas niet thuiskwam" is een vertelling van één dag. Het verloop van die dag wordt iets meer dan een jaar later door de vijftienjarige Petrus verteld. Het verhaal draait om Petrus, zijn broertje Faas en hun vader. Het gezin is totaal ontwricht door het overlijden van de moeder van Petrus en Faas. Het onvermogen om hun verdriet te delen en nader tot elkaar te komen zorgt voor spanningen en verdriet.
Petrus is de oudste zoon, hij voelt zich verantwoordelijk voor zijn vader en broertje. Jonger broertje Faas is hoogbegaafd, en volgens anderen een dromer, geheimzinnig, ongrijpbaar en onberekenbaar (Toen Faas niet thuiskwam, blz. 25) . Hij kan heel goed tekenen, filosofeert over de dagelijkse dingen, en gaat helemaal zijn eigen weg. De band tussen Faas en zijn moeder is intens. Zij begrijpen elkaar volkomen, Petrus voelt zich daar buiten staan:
"Ik had er schoon genoeg van om tegen die rotwind op te tornen, en ik had ook schoon genoeg van die gesprekken tussen mijn moeder en Faas. Je snapte daar nooit wat van, je wist niet eens of ze aan het fantaseren waren of niet. Mijn moeder probeerde wel om mij erbij te betrekken maar ik had niets te zeggen over de tint van de regenwolken en het speciale licht op de duintoppen en wat er met je hoofd gebeurde wanneer je heel lang zo ver mogelijk weg keek." (Toen Faas niet thuiskwam, blz. 33)
Petrus is de oudste zoon, hij voelt zich verantwoordelijk voor zijn vader en broertje. Jonger broertje Faas is hoogbegaafd, en volgens anderen een dromer, geheimzinnig, ongrijpbaar en onberekenbaar (Toen Faas niet thuiskwam, blz. 25) . Hij kan heel goed tekenen, filosofeert over de dagelijkse dingen, en gaat helemaal zijn eigen weg. De band tussen Faas en zijn moeder is intens. Zij begrijpen elkaar volkomen, Petrus voelt zich daar buiten staan:
"Ik had er schoon genoeg van om tegen die rotwind op te tornen, en ik had ook schoon genoeg van die gesprekken tussen mijn moeder en Faas. Je snapte daar nooit wat van, je wist niet eens of ze aan het fantaseren waren of niet. Mijn moeder probeerde wel om mij erbij te betrekken maar ik had niets te zeggen over de tint van de regenwolken en het speciale licht op de duintoppen en wat er met je hoofd gebeurde wanneer je heel lang zo ver mogelijk weg keek." (Toen Faas niet thuiskwam, blz. 33)
