dinsdag 29 maart 2016

Recensie ‘Doe Maar Dicht Maar’ door Pia (NeD1b)

Gegevens boek

Redactie:                    Inge Kappert, Sigrid Leeuwerik
Titel:                           Doe Maar Dicht Maar
Uitgavejaar:               2014
Uitgever:                    Clavis, Amsterdam


Beschrijving
Sinds 1985 organiseert de stichting ‘Doe Maar Dicht Maar’ jaarlijks een poëziefestival voor jongeren in de leeftijd van 12 tot 19 jaar in Nederland en Vlaanderen. Hoe wordt het jonge dichttalent in de praktijk gemotiveerd om te dichten en vervolgens ontdekt? Middelbare scholen kunnen bij de stichting een docentenhandleiding aanvragen. Aan de hand van deze handleiding krijgen duizenden leerlingen van alle schooltypen, van brugklas tot examenklas, les in het schrijven van gedichten. De leerlingen kunnen hun gedichten inzenden en van die mogelijkheid wordt gretig gebruikgemaakt: gemiddeld ontvangt de stichting per jaar 1500 gedichten.
Alle gedichten worden door een vakjury en een jongerenjury beoordeeld. Op het poëziefestival worden de beste tien inzendingen voorgedragen. De honderd beste gedichten worden jaarlijks gepubliceerd in de gedichtenbundel ‘Doe Maar Dicht Maar’.

Persoonlijk waardeoordeel
“Jongeren in aanraking brengen met poëzie om hen de schoonheid van taal te laten zien en hen kennis te laten maken met de mogelijkheden die taal biedt om gevoelens te uiten”.
Zoals de website vermeldt, is dat een van de doelen van stichting poëziepaleis, waarbinnen stichting Doe Maar Dicht Maar gehuisvest is.
Bladerend, lezend, ben ik geraakt door de diversiteit van onderwerpen en dichtvormen. De doelstelling is in elk geval met de uitgave van 2014, het boekje dat ik gekozen heb, gehaald. Hoe knap en bijzonder de gedichten zijn! Na een interessant gesprek met de bibliothecaris van de jeugdafdeling van de bibliotheek in Roermond heb ik voor dit bundel gekozen omdat de gedichten niet voor maar door de doelgroep (jongeren) geschreven zijn. Geen moeilijk verplaatsen in de wereld van de jongere, geen educatieve of pedagogische achterliggende gedachten…nee, de jongere beschrijft wat hem bezighoudt, in zijn taal, met zijn mogelijkheden. De enige intentie lijkt de behoefte om zich mede te delen, om op een bijzondere, haast ingetogen manier, namelijk poëtisch, te zeggen wat gezegd moet worden.

De jongeren in de leeftijd tussen 13 en 19 jaar proberen al begrijpend het leven in begrepen banen te leiden. Dat is voor volwassenen vaak al een hele opgave, in de levensfase van de jonge dichter is deze opgave extra moeilijk. Poëzie biedt ook jongeren een vorm om het niet begrijpen te erkennen, een manier om het onbegrip op te vangen.
Daarbij lopen werkelijkheid en fantasie door elkaar heen in korte zinnen, enkele woorden, in rijm en klank en ritme…kortom in poëtische taal. In de beperktheid van een gedicht heeft elk woord, elke ‘techniek’ een plaats. Geen woord te veel, geen woord te weinig. Elk teken, ook de witregel, heeft een betekenis. Dat maakt poëzie, veel meer dan proza, interpretabel en ook geheimzinnig. Het is voor elke lezer een zoektocht naar de uiteindelijke betekenis, die hij soms wel en soms niet vindt.
De jonge dichters laten zien dat zij dit goed begrepen hebben. Geen woord te veel en geen woord te weinig!

Ik ben jaloers op iedereen die de kunst van het dichten verstaat. Dat zou ik ook wel willen kunnen! Gelukkig zijn er heel veel gedichten om van te smullen. De bundels van ‘Doe Maar Dicht Maar’ zijn daar zeker een mooi voorbeeld van. Ik raad je aan om ze te lezen! Ze lenen zich ook uitstekend om in de klas poëzie dichter bij jongeren te brengen. Ik ga de docentenhandleiding in elk geval bestellen!

Ik kan niet kiezen, maar doe het toch…mijn enthousiasme illustreer ik met een voorbeeld uit de dichtbundel.

Nevermind                             van Maaike Rijntjes, 16 jaar

ik heb zes graven in mijn tuin,
van twee honden, drie konijnen
en een meisje,

want dat is hoe de dingen gaan:
je trekt je eigen thee in plaats van
je eigen plan,

vergeet telkens de planten water
te geven, knipt vleugels van vlinders,
schrijft brieven op servetten in dure
restaurants, leent namen van
vreemden,

plakt gedichten op je spiegel tot je
jezelf erin kunt zien

en op een dag dan schrijf je
achter in de tuin je eigen graf.


Bronnen:
Coillie, J. (2012). Leesbeesten en boekenfeesten. Leuven: Davidsfonds
Kappert, I. Leeuwerik, S. (2014). Doe Maar Dicht Maar. Amsterdam: Clavis
Spelbrink, H., De Graaff, W. (1997). De wereld van het kinderboek. Groningen: Wolters-Noordhoff

Recensie ‘Kruistocht in spijkerbroek’ door Pia (NeD1b)


Gegevens boek

Auteur:                       Thea Beckman
Uitgavejaar:               1973
Titel:                          Kruistocht in spijkerbroek
Plaats van uitgave:    Rotterdam
Uitgever:                    Lemniscaat


Samenvatting
Dolf Wega is een 16-jarige jongen uit Amstelveen, die koppig kan zijn. Door deze eigenschap weet hij Dr. Simiak en zijn assistent te overtuigen om hem via een materietransmitter naar de middeleeuwen te flitsen. Dolf wil een riddertoernooi in het Franse Montgivray meemaken, dat op 14 juni 1212 heeft plaatsgevonden. Hij komt wel in 1212 terecht, echter niet in Frankrijk, maar in Spiers, vlakbij Keulen.

Als Dolf aankomt, ziet hij dat een jongen wordt overvallen door struikrovers. Hij helpt de jongen, die Leonardo Fibonacci da Pisa heet. Daarna gaat Dolf naar de plek waar hij is aangekomen, om te worden teruggeflitst. Net op dat moment komt een Kinderkruistocht voorbij, waardoor hij de plek niet op tijd kan bereiken. Een ander kind wordt voor zijn ogen weggeflitst. Dolf zit nu vast in de middeleeuwen. Hij heeft het afgesproken moment van terugflitsen gemist.
Dolf en Leonardo sluiten zich bij de Kinderkruistocht aan. De groep is onderweg om Jeruzalem van de heidenen te bevrijden. De tocht wordt geleid door twee monniken, Dom Anselmus en Dom Johannis, en een jongen, de heilige Nicolaas. Al snel valt op dat de tocht slecht georganiseerd is: veel kinderen sterven onnodig onderweg. Leonardo en Dolf grijpen in en nemen geleidelijk de organisatie over. Ze laten ieder kind een taak zoeken die bij hem past. Zo ontstaan groepen jagers, vissers, schoenmakers, ziekenverzorgers, kruiden-en bessenverzamelaars en bewakers. Dolf raakt bevriend met Leonardo, Mariecke, Carolus, de aangewezen nieuwe koning van Jeruzalem, Peter en Dom Thaddeus, een priester die zich later bij de groep heeft aangesloten. Tussen Dolf en Mariecke ontstaat zelfs iets meer dan gewone vriendschap. Maar hij maakt ook vijanden: de monnik Anselmus en de jonge Nicolaas. Het komt tot een krachtmeting. Anselmus verklaart hem tot ketter en er volgt een proces. Dom Thaddeus redt hem. Hij bewijst dat Rudolf van Amstelveen geen ketter is, want Rudolf heeft een litteken op zijn arm. Dit litteken is van een oude hondenbeet.
Onderweg beleven ze veel: de Scharlaken Dood (de rodehond) slaat toe, maakt veel slachtoffers, maar wordt door de moderne kennis van Dolf overwonnen; vijftig kinderen worden door roofridders ontvoerd en worden weer bevrijd, door hen vermomd als duivels op te eisen; malaria; een aanval van een beer; steden die hun poorten sluiten voor de hongerige kinderen, maar ook hulp van stedelingen. Carolus sterft aan een blindedarmontsteking. Uiteindelijk bereiken ze Genua, waar, zo is hen beloofd, de zee zal splijten voor de heilige Nicolaas, zodat ze Jeruzalem kunnen binnentrekken en veroveren.

Dolf wantrouwt dit verhaal. Hij weet dat dit geografisch niet kan kloppen: Jeruzalem ligt niet tegenover Genua. Dan biecht Dom Johannis op dat de kinderen op schepen zullen worden vervoerd naar Afrika, om als slaven verkocht te worden. Dolf licht zijn vrienden in. Als de zee inderdaad niet wil splijten voor Nicolaas, richt de woede van de kinderen zich op Nicolaas en Anselmus. Anselmus wordt gelyncht, maar Nicolaas wordt gered door de ingelichte ordetroepen.
De groep trekt verder naar Sicilië. Nicolaas wordt gevangengenomen en gedood door graaf Ludovico Trasimeno. In Bari vindt Leonardo een aluminium doosje. Het blijkt een boodschap voor Dolf te zijn uit het heden. Dolf begrijpt dat zijn ouders hem zoeken, maar voor dit doosje is hij te laat. In Brindisi wordt weer een doosje gevonden. Dolf stuurt via het doosje een boodschap terug. Hij zal 24 uur later op die plak klaar staan om te worden teruggeflitst. Hij beseft dat hij zijn vrienden en vooral Mariecke zal moeten verlaten. Hij weet ook dat zij bij Leonardo in goede handen is. Ondanks dat het op het gekozen moment weer een hele drukte is door een processie, lukt het deze keer wel. Dolf is thuis.

Persoonlijk waardeoordeel
Kruistocht in spijkerbroek is een prachtige historische jeugdroman voor jongeren vanaf 12 jaar, die speelt in de middeleeuwen. De titel geeft het anachronistisch karakter van de roman aan. Want wat doet een twintigste-eeuwse jongen in de middeleeuwen? De verzonnen hoofdpersoon wordt in een exact gesitueerde periode geplaatst, waarbij feitelijke details de geloofwaardigheid vergroten[1]. Het geschetste wereldbeeld is heel realistisch, natuur, kleding en steden zijn precies beschreven. In 1212 zijn inderdaad twee Kinderkruistochten geweest. De vraag is alleen of het daadwerkelijk om kinderen ging, of om ontheemde boeren (de vertaling van het Latijnse pueri, jongens, kan in de Middeleeuwen beide betekenissen hebben).
In combinatie met de tegenstelingen in de twintigste eeuw, de leef- en ervaringswereld van de jonge lezer, roept Beckman met haar beschrijvingen een gevoel voor de cultuur en de tijdgeest anno 1200 op. De uitspraak “wil je avonturen beleven, ga dan op reis” slaat ook in dit boek de spijker op z’n kop. Niet alleen de reis in de tijd middels tijdversneller is avontuurlijk, ook de kruistocht is een reis vol ontwikkelingen en avonturen.
De hoofdpersoon Dolf is een jongere en dat verhoogt de identificatie- en en de acceptatiemogelijkheid voor de (beoogde) lezer. Het verhaal is geloofwaardig. Enerzijds omdat het echte gebeurtenissen als uitgangspunt kiest, anderzijds omdat het Beckman gelukt is om een realistisch verhaal te schrijven dat in het verleden speelt. Met haar oog voor de juiste details, met de gedachten van Dolf waarin ook het verschil tussen verleden en huidige tijd tot uiting komt, en met een hoofdthema dat alle tussenliggende eeuwen overbrugt, heeft zij een fantastisch mooi verhaal geschreven.

Behalve een flinke portie geschiedenisles krijgt de lezer ook ruim kans om na te denken over waarden en normen en over tradities en rituelen. De tijdkloof laat zien wat tijdelijk is maar ook wat de eeuwen overleeft en ‘van alle tijden’ genoemd kan worden. De lezer ervaart dat kennis van het verleden kan verklaren waarom wij vandaag denken en doen zoals we dat doen. Omdat Dolf niet zo heel veel afwijkt van henzelf, kunnen zij zich met hem identificeren. Zijn gedachten en handelswijze zijn een gids op een onbekend terrein, letterlijk en figuurlijk. Net als Dolf zullen zij de verwondering en verbijstering begrijpen en, net als hij, stap voor stap wijzer worden in de middeleeuwen. Een wereld waarin geloof, bijgeloof, trouw en standsverschillen een veel grotere rol spelen dan in de wereld van nu. Maar ook een wereld waarin liefde, trouw en onderlinge verbondenheid net zo belangrijk zijn als vandaag de dag.

Ruim veertig jaar na het verschijnen van Kruistocht in spijkerbroek zullen huidige lezers inmiddels met betrekking tot een aantal aspecten eenzelfde kloof ervaren als de lezer anno 1973. Want voor kinderen behoort alles tot geschiedenis wat zich voor hun geboorte afspeelde[2]. En er heeft zich, zeker wat de technische ontwikkelingen betreft, heel veel afgespeeld in de laatste veertig jaar! 1973 lijkt wel eeuwen geleden….
Computer, mobieltjes, social media, enz. zijn voor de huidige jonge generatie vanzelfsprekend. Zij weten niet anders. Een ‘tijdversneller’ is niet langer een utopische fantasie. Gezien de ontwikkelingen is het aannemelijk dat wij over pakweg tien jaar een type Oculus Rift opzetten en ons in elk gewenste wereld kunnen begeven.
En toch, ondanks alle veranderingen en ontwikkelingen blijft Kruistocht in spijkerbroek een boeiend, spannend en ontroerend boek. Juist ook omdat het universele, principiële waarden en normen als hoofdthema heeft.

Doordat het verhaal de middeleeuwen zo toegankelijk maakt voor de lezer, is het ook erg geschikt om meer over dit tijdperk te weten te komen. Het boek kan in de klas besproken worden. Bijvoorbeeld middels een opdracht die uitnodigt om de verschillen tussen toen en nu op te zoeken. Wat komen we te weten over de middeleeuwen? Welke stukken uit het boek kunnen echt gebeurd zijn en welke niet? Waaraan zie je dat?[3]


Bronnen:
Coillie, J. (2012). Leesbeesten en boekenfeesten. Leuven: Davidsfonds
Redactie: Spelbrink, H., De Graaff, W. (1997). De wereld van het kinderboek. Groningen: Wolters-Noordhoff
Bonset, H., de Boer, M., Ekens, T. (2010). Nederlands in de onderbouw. Bussum: Coutinho



[1] Coillie, J. 2010, p.177
[2] Spelbrink, H., de Graaff, W., 1997, p.206
[3] Bonset, e.a., 2010, p.280

Recensie ‘ Offline ’ door Pia (NeD1b)



Gegevens boek

Auteur:                       Caja Cazemier
Titel:                           Offline
Uitgavejaar:               2009
Uitgever:                    Ploegsma


‘Het was alweer bijna weekend. Vrijdag op school durfde Jiska haar klasgenoten niet aan te kijken. Ze liet haar hoofd hangen als ze door de gangen liep. Ze keek niet meer op in de klas, keek de anderen niet aan in de pauze.’

Samenvatting
Jiska Verhagen is dertien jaar oud als zij aan het tweede jaar van de middelbare school begint. Al vanaf de eerste schooldag treden kleine hindernissen en misverstanden op. Korte tijd later begint Jiska zich buitengesloten te voelen door haar klasgenoten. Het is Sophie, een nieuwe klasgenoot, die alle aandacht naar zich toetrekt door haar verbaal vertoon en de modieuze kleding die zij draagt. Sophie blijkt de aanstichter van pestacties richting Jiska te zijn, waaraan de klasgenoten actief of gedwee meedoen. Via social media en via haar mobieltje krijgt Jiska haatvolle berichten die beledigend en zeer kwetsend zijn. Offline gaan en sms’jes verwijderen helpt weinig: op school wordt zij genegeerd en er verdwijnen spullen van haar.
Thuis, offline, voelt zij zich even veilig: zij werkt met de buurjongen Jurre in de kassen van haar vader of speelt met haar gehandicapt zusje. Over de voorvallen op school of op internet zwijgt zij in alle talen.
Maar er is geen ontkomen aan: zelfs op de dansschool, waar Jiska met veel plezier naartoe gaat, voelt zij zich bekeken door de andere meiden en merkt zij dat de sfeer verandert. Internet laat zien waartoe het misbruikt kan worden: in razend tempo verspreidt zich de lastercampagne van Sophie. Na nog meer indringende voorvallen, zoals een vals bericht over een ongeluk dat haar zus zou hebben gehad en een vriendin op internet die in werkelijkheid een alias van Sophie is, stort Jiska in. Uiteindelijk vertelt zij aan haar ouders wat er al maanden aan de hand is. Sophie wordt geschorst. Na de kerstvakantie gaat Jiska weer naar school waar zij opgewacht wordt door twee meiden uit haar klas, die duidelijk spijt hebben van hun gedrag en weer vrienden met Jiska willen zijn.

Persoonlijk waardeoordeel
Offline is een typisch hier- en nuverhaal. Het verhaal van de dertienjarige Jiska speelt zich af in de leef- en belevingswereld van huidige jongeren. Ik vind het verhaal boeiend en realistisch geschreven. Al vanaf de eerste bladzijde wordt de lezer met een voor een boek ongebruikelijke tekst geconfronteerd, namelijk enkele vervelende polls. De lezer voelt zich daardoor al midden in het verhaal staan; doordat hij voorkennis mist, is zijn nieuwsgierigheid meteen gewekt.

Gedetailleerd beschrijft Cazemier wat er allemaal gebeurt, welke gevoelens dat bij Jiska oproept en welke desastreuze impact dat op haar zelfbewustzijn en gevoel van veiligheid heeft. Dat ‘gepest worden’ een vreselijke, alomvattende uitwerking op het slachtoffer heeft, wordt de lezer door de ogen van Jiska duidelijk gemaakt. Haar gevoelens van onbegrip, onmacht en onveiligheid kruipen als het ware heel dicht op je huid.

Het thema pesten in jeugdliteratuur is niet nieuw. Cazemier voegt wel de rol toe die sociale media hierin kan spelen. In combinatie met de beschrijving van herkenbare situaties die zich overal kunnen voordoen, heeft zij wederom een realistisch verhaal geschreven. Niets lijkt verzonnen, het is precies zoals het is. Deze levensechtheid voorkomt dat het verhaal banaal aandoet of als cliché weggezet kan worden, ook al is het thema niet nieuw.

Uiteraard heb je als (volwassen) lezer erg met de hoofdpersoon te doen. Je wenst geen enkel kind (ook Sophie niet!) deze ervaring toe. Behalve compassie voor Jiska voelde ik ook mijn geweten regelmatig om aandacht vragen. Hoe goed let ik op signalen van pesterijen in mijn klas (statistisch gezien wordt ook in mijn klas gepest)? Doe ik dat wel met de zorgvuldigheid die van mij verwacht mag worden? Of kan van mij hetzelfde gezegd worden als wat ik van de volwassenen in het verhaal denk? Ik vind het knap dat Cazemier o.a. deze vragen, deze bewustwording, bij mij oproept, zonder overigens met een beschuldigende vinger te wijzen.

Ik heb genoten van een vlot geschreven verhaal over een ernstig en actueel onderwerp.
Maar ik heb ook een aantal opmerkingen.
Teleurstellend vond ik ‘de afhandeling’ van het thema. Op 157 pagina’s wordt uitgebreid ingegaan op verschillende manieren van cyberpesten en nog uitgebreider op de gevoelens, de gemoedstoestand en de effecten van pesten op de hoofdpersoon. Pas op pagina 158 geeft Jiska toe dat zij gepest wordt. De afhandeling van ‘het probleem’ wordt ‘eventjes’ op twaalf pagina’s weergegeven. Het klopt, over het algemeen kun je stellen dat het aantal pagina’s niets over de inhoudelijke kwaliteit hoeft te zeggen. In dit geval echter vind ik de afhandeling te mager en dat is jammer. Ik denk dat het juist belangrijk is voor de jonge lezer om te weten wat daarna gebeurt. Dat de pester op zijn gedrag aangesproken kan worden en dat het slachtoffer weer een veilige plek in de groep kan krijgen. Nu is Sophie enkele dagen geschorst. Wat gebeurt er als zij weer naar school komt? Hoe verloopt een ontmoeting tussen slachtoffer en pester? Hoe maak je weer vrienden, hoe leer je weer te vertrouwen na een dergelijke traumatische ervaring? Het was waardevol geweest om ook deze vragen in het verhaal terug te laten komen.
Dat Cazemier de jonge lezer niet helemaal in de kou wil laten staan, blijkt wel uit haar nawoord waarin zij tips en adviezen geeft. Deze informatie biedt (ook) voldoende aanknopingspunten om na het lezen van het boek het thema (online) pesten in de klas te bespreken.

Bronnen:
Coillie, J. (2012). Leesbeesten en boekenfeesten. Leuven: Davidsfonds
Redactie: Kappert, I. Leeuwerik, S. (2014). Doe Maar Dicht Maar. Amsterdam: Clavis
Redactie: Spelbrink, H., De Graaff, W. (1997). De wereld van het kinderboek. Groningen: Wolters-Noordhoff







Reactie op recensie ‘Knalhard’ van Caja Cazemier


Onderstaand een reactie op volgende recensie: http://fictieblogarjen.blogspot.nl/search/label/Caja%20Cazemier

Ik reageer op jouw recensie omdat ik na het lezen van Cazemiers ‘Offline’ en ‘Knalhard’ erg enthousiast ben over deze schrijfster en de twee genoemde boeken.

“Ik moet schrijven, zei ze. Schrijven? Ik? Slachtofferhulp? Ik? Janken als een meid? Ik? Dagboeken zijn voor meisjes en voor mietjes. Ik ben een jongen! En dit is mij overkomen?”

Dat is nou een typische reactie die ook een van mijn leerlingen zou kunnen uiten. Zo herkenbaar! En dat brengt me bij waar ik met jou van mening verschil. Je schrijft dat het voor een volwassen lezer moeilijk is om het boek vlot uit te lezen, “dat het boek geschikt is voor jeugdige lezers die zich herkennen in de leefwereld van Ties…dat het voor oudere lezers minder interessant is…”.
Ik weet natuurlijk niet welke leeftijdscategorie je voor ogen had toen je de laatste zin schreef. Ik vond het in elk geval zeer interessant, en ik ben echt wel een oudere lezer. Mijn mening en mijn ervaring is, dat niet zozeer leeftijd of leefwereld bepalen of het thema herkenbaar en te volgen is. Als je met deze leeftijdscategorie werkt, als je betrokken bent en je oren te luister legt, dan snap je heel goed waar het over gaat, waar het probleem ligt en waar (en hoe) het pijn doet. En ook als je als jeugdige een andere leefwereld hebt dan Ties, dan snap je heel goed waar het over gaat.
Ik vind het knap van Cazemier hoe zij heel treffend en op directe manier verwoord wat jongeren bezighoudt. Want dat weten ze allemaal: je kunt zo maar op het verkeerde moment op de verkeerde plek terechtkomen, met alle gevolgen van dien. Wat de meesten (gelukkig) niet weten, is welke gevolgen dat kan hebben en hoe je daarmee om kunt gaan.

Zinloos geweld is een ‘hot item’, een onderwerp dat op school maar meer nog in de media aandacht krijgt. Het boek van Cazemier leent zich uitstekend om taboes rondom het thema ‘zinloos geweld’ bespreekbaar te maken. Door het verhaal afwisselend in de derde persoon en in de ik-stijl te vertellen, maakt zij ook gender- en opvoedingsverschillen zichtbaar die inzichtelijk maken hoe verschillend de personages met het geweldsdelict omgaan. Ties heeft ‘de stoere jongensdenkstijl’, terwijl Amarin, met een ‘zachte’ denkstijl, het vooral lastig vindt dat Ties niet wil praten.
In de dialogen worden stereotypen ‘opengebroken’ en ontstaat ruimte om te ontdekken dat er meer is dan de waarheid. Wanneer is iemand je vriend? Welke verwachtingen heb je? Mag iemand afwijken van die verwachting, bij voorbeeld omdat diegene bang is? Mag je zeggen dat je bang bent?

Ook met dit verhaal zet Cazemier de (jonge) lezer aan het denken en biedt zij ruimte voor nieuwe gedachten en voor handelingsalternatieven. Daartoe nodigt ook haar nawoord uit. Geheel in de geest van Bonset kunnen de vragen en opmerkingen op die laatste pagina’s van haar boeken uitnodigen tot communicatief taalonderwijs op school!

(Bonset,e.a., 2010. Nederlands in de onderbouw. Bussum: Uitgeverij Coutinho)





Reactie op recensie ‘ Pjotr’ van Jan Terlouw


Onderstaand een reactie op volgende recensie: http://fictieblogarjen.blogspot.nl/search/label/Pjotr

Jouw recensie is herkenbaar voor mij. Je beschrijft behalve de mooie en waardevolle momenten van het verhaal ook de kritiekpunten, die ik met je deel. Graag wil ik daar een aanvulling op geven.

Pjotr is een heerlijk boek, in de traditie van het vertellen van verhalen. Het boek zit boordevol avonturen, maar geeft ook stof tot nadenken. Het snijdt onderwerpen aan als arm-rijk en goed-slecht. Het is daarbij niet zwart-wit. Het laat zien dat arme mensen soms hun halve vermogen weggeven, maar ook dat mensen een uitgemergeld paard tot bloedens toe slaan. Het brengt nuances aan in het stelen: het stelen van een brood uit honger of het stelen van rijke mensen is minder verwerpelijk dan het stelen van een arme, zoals de marskramer probeert in het begin van het boek.
Hierin herken ik de politieke achtergrond van de schrijver. Hij brengt in al zijn boeken, ook in Pjotr, eigentijdse problemen aan de orde zoals het milieu, de politiek of geschiedenis. Zijn hoofdpersonen zijn inventieve jongeren (zoals Pjotr), die op een originele manier met die problemen omgaan. Hij laat zien dat aan onderwerpen meer kanten zitten en dat je problemen dan ook van alle kanten moet bekijken voordat je een beslissing neemt.

In je recensie maak je een opmerking over de gedateerde schrijfstijl en het veelvuldig gebruik van ouderwetse woorden en uitdrukkingen. Inderdaad, het lijkt me een worstelpartij om eerst te moeten opzoeken wat die woorden, maar ook spreekwoorden, nu eigenlijk betekenen. Ik vraag me af of die taalkeuze kenmerkend is voor de tijd waarin het boek verscheen, of misschien mede een bijdrage moet leveren aan het oproepen van een ‘lang vervlogen tijd in een ver en onbekend land”. In elk geval zal door hedendaagse jonge lezers een horde genomen moeten worden, die het lezen niet aangenamer maakt.
Wat ik aan het taalgebruik wel aansprekend vind, is zijn keuze voor verkleinwoorden, leuk gevonden uitdrukkingen of beeldspraak. Daarmee roept hij beelden op die herkenbaar zijn
(‘je maag voelt alsof iemand er knopen in heeft gelegd en die nu met scherpe nagels er weer uit zit te halen’, pag. 31), of die van gewone dingen een buitengewoon schouwspel maken (‘achter de gebarsten ruiten strijden flarden vitrage en stoffig spinnenweb om de voorrang’, pag. 38) en (‘het gebied wordt beheerst door machtige rivieren…, kronkelende reuzen die ontspringen…breed en machtig door het lage land stromen en ten slotte besluiten het verder samen te doen’, pag. 73).
Het verhaal is doorspekt met bijvoeglijke naamwoorden, waardoor letterlijk en figuurlijk extra ‘schwung’ aan het verhaal wordt gegeven en de beschrijvingen daardoor intenser en kleurrijker zijn.

Je hebt gelijk met je vaststelling dat het boek weinig inzicht geeft in relaties tussen mensen.
Het verhaal laat wel normen en waarden zien die wij ook vandaag nog graag aan onze kinderen meegeven, zoals loyaliteit en liefde en trouw. Voor de jonge liefhebber van ‘ouderwetse’ verhalen (jawel, die zijn er nog!) kan Pjotr, behalve leesplezier, ook een educatieve waarde hebben.



Reactie op recensie ‘ Lopen voor je leven’ van Els Beerten




Erik, jouw recensie vind ik mooi verwoord en zowel je positieve opmerkingen als ook de negatieve kanttekeningen zijn voor mij herkenbaar.

Ik heb het boek ook ‘in een ruk’ uitgelezen, te nieuwsgierig naar het vervolg om het aan de kant te leggen. Ik vind het heel knap hoe Beerten het verhaal opbouwt. Sommige hoofdstukken hebben als titel het aantal meters dat nog gelopen moet worden in de marathon, die ze in het verhaal loopt. In deze hoofdstukken wordt het lopen van de marathon en haar conditie van dat moment beschreven. Tussen deze hoofdstukken in zijn de titelloze hoofdstukken, die haar gedachten weergeven. Deze ‘flashbacks’ verlopen niet chronologisch, elke herinnering is als het ware een verrassing. Dat verhoogt de spanningsopbouw en komt authentiek over, je herinneringen maken immers ook sprongen of dringen zich ongeordend op.
Als ze tot 2195 meter voor de finish is gekomen, worden haar zinnen nog korter (want kort zijn ze allemaal), ze is uitgeput, de zuurstof is op. Het is ook dan, dat de meest intense herinnering bovenkomt. Lopen voor je leven, het is wat Noor doet, letterlijk en figuurlijk. Na het gruwelijke ongeluk heeft ze niet echt meer geleefd, alleen tijdens het rennen voelt ze zich vrij en gelukkig. Nu, door het lopen van de marathon, waar ze de spreekwoordelijke berg is tegengekomen en haar laatste reserves moet aanspreken, laat ze de hele herinnering toe, doorleeft die herinnering en voelt ze weer. Hiervan getuigt ook haar moodring, die voor het eerst in jaren weer verkleurt. Een prachtige symboliek!
Je kunt je inleven in Noor, versterkt ook doordat het perspectief bij haar ligt. Doordat de informatie maar mondjesmaat naar voren komt, blijft het boek boeien. Een ontroerende roman!

Het verhaal speelt in 1977, zoals je goed gerechercheerd hebt. Dat zou je niet denken, gezien de actualiteit en de herkenbaarheid voor de doelgroep. Daarmee toont Beerten haar kennis van de doelgroep en haar fijngevoeligheid als het gaat om de presentatie van universele problemen die typerend zijn voor deze leeftijdscategorie. Schuld en boete, vriendschap, angst voor verlies, compensatiegedrag, ontluikende gevoelens, vertrouwen, beschadigingen, en ga zo maar door…heel herkenbaar en niet alleen in deze tijd.

Het verhaal leent zich uitstekend voor verwerkingsopdrachten in de klas. De opbouw van het boek is opvallend en een mooie aanleiding om enkele vormaspecten te behandelen. Waarom kiest de schrijfster voor die vorm? Wat is de betekenis van de moodring? Het is niet toevallig dat de meest intense herinnering bij Noor naar boven komt op het moment dat zij totaal uitgeput is. Wat kan dat betekenen? (Bonset, e.a, 2010, p.300).

Bronnen:
(Bonset, e.a., (2010). Nederlands in de onderbouw. Bussum: Uitgeverij Coutinho)



reactie op recensie van Jet van Os: Toen Faas niet thuiskwam



 
Toen Faas niet thuiskwam is een boek dat een diepe indruk op mij gemaakt heeft. Ik sluit me daarom volledig aan bij de mening van Jet van Os. De personages uit het boek zijn geloofwaardig en het verhaal is zonder opsmuk en niet sentimenteel geschreven. Ieder woord is net goed en nooit teveel. Gedurende het verhaal voel je de spanning aanzwellen zonder dat daar overdreven sentiment voor gebruikt wordt. Het relaas wordt beschreven vanuit het perspectief van Petrus, de oudste telg van het gezin. Zoals Jet ook zegt, het hart van de lezer gaat uit naar Petrus omdat je hem ziet worstelen met zijn eenzaamheid en met zijn opgelegde volwassenheid. Wanneer ik een  interview van Belle Kuijken met Martha Heesen lees, ben ik bijzonder verrast over het antwoord dat zij geeft op de volgende vraag:
 
 Het verhaal is opgezet als een driehoeksverhouding met veel verschillende invalshoeken. Waar gaat het boek voor u in hoofdzaak over? Het gaat vooral over de vader. Ik heb erg met hem te doen. Hij is een hulpeloze sukkel sinds het overlijden van zijn vrouw. Hij doet helemaal niets. En dat klopt niet voor zijn kinderen: ouders moeten een steunpunt zijn, hoewel ze dat vaak niet zijn, natuurlijk. Ouderschap, daar kleven allerlei problemen aan. Dat weet ik, omdat ik zelf ouders heb gehad, en een dochter van twintig heb. Je doet van alles verkeerd, dat is niet te vermijden.....(Belle Kuijken, 2004)

Persoonlijk vind ik dat de vader in het verhaal amper een rol speelt. Of misschien toch wel? Juist doordat zijn rol als steunpilaar en vader schittert in afwezigheid maakt dat zijn invloed groot in het leven van Petrus. Bij gebrek aan ouderlijke steun en wijsheid voelt Petrus zich gedwongen de rol van vader en opvoeder op zich te nemen.
Ik vind het een stil boek en onwillekeurig doet het mij denken aan een lied van de groep Van Dik Hout, Het is stil in mij. Het leest als een "stil" boek. Stil omdat we als lezer gevangen zitten in het machteloze verdriet van Petrus. Stil vanwege zijn stille protest tegen zijn broer die alle aandacht opeist, stil vanwege de stille aanklacht tegen zijn vader als waardeloze opvoeder. Een stil protest omdat een kleine jongen zo snel volwassen moet zijn. In feite is Petrus, binnen het gezin, de rots in de branding en typisch het oudste kind in het gezin: de meest verantwoordelijke, degene die zich opoffert en die de weg vrijmaakt voor de jongste in het gezin. Dat blijkt al vroeg wanneer hij erop uit moet om zijn broertje te zoeken, op te halen voor het eten, van school halen en herhaaldelijk moet hij zich verantwoorden voor het gedrag van zijn kleine broertje. En zo zal hij de rest van zijn leven in deze rol blijven. Voor mij blijkt dit duidelijk uit het schrijnende einde van het boek waarin zijn missie voltooid wordt, maar niemand neemt het hem in dank af. Hij krijgt het voor elkaar dat vader en Faas elkaar vinden in hun verdriet en ze vallen elkaar in de armen. En Petrus?

Ik liep twee trappen af. Ik liep de voordeur uit. Ik liep het tuintje uit. Het was donker en er was niemand meer op straat. Ik ging op het muurtje zitten met mijn rug naar het huis. Het was de langste dag van mijn leven geweest. (p. 77)



Internet (z.d.). Geraadpleegd op 29 maart 2016 van
Belle Kuijken, Tegenwoordig is iedereen een autist, De Morgen, 2004